Koeienschijt, vliegenplaag en oorverdovende gedachten

Voor mijn minor Creatief Schrijven schreef ik een column over mijn meest memorabele familievakantie.

“Ah nee.” Over de houten vloerplanken liep ik door de uitgekozen slaapkamer. Hard gekraak en gepiep klonk onder mijn voeten. Bij sommige stappen schrok ik een beetje. Aan de andere kant van het bed en de kamer, was een klein, vierkant raam met diepe, marmeren vensterbank. Ik keek naar buiten. “Meik! Oh mijn God, kijk dan!” Mijn zusje Meike kwam aangesneld over de piepende vloer en bleef stokstijf naast me staan.
“Gatver! We slapen naast een kerkhof! Dat verzin je toch niet?” We keken elkaar wat angstig aan en wierpen toen een blik op het bed en de rest van de kamer.
“Ik doe hier geen oog dicht, denk ik. Meik, wat is dit voor spookhuis? Heb je al goed rond gekeken? Ik heb al zeker zes spinnen gezien. Die overleven de nacht niet hoor, als je dat maar weet.” Meike liep naar een hoek van de kamer en zag drie spinnen. Ze slaakte een moedeloze kreun en fluisterde toen “Dre, ik wil naar huis”. Ik zag de heimwee in haar ogen.
“Nou, anders ik wel. Maar dat gaat niet gebeuren, dus laten we maar gewoon zo veel mogelijk buiten doorbrengen deze twaalf dagen. En smeken om veel zon.”
Ik legde mijn koffer rechts op het bed, bij de deur. Beneden huilde al even mijn nichtje Lynn. Met haar twee jaar had ze een bloedhekel aan autorijden en dat hadden we nu zo’n vijf uur gedaan. Dat ze al wat grieperig was voor de reis, hielp ook niet. Toen ik de trap af liep, het enige solide en enigszins nieuwe bouwsel in het hele huis, slaakte ik een zucht om de steeds harder wordende huilsirene beneden. Het was koel in het huis. En donker. En het rook er eigenaardig. Vochtig. Muf. Ik keek naar links en sloeg om mijn hoofd naar een plakkerige vlieg. De gigantische eettafel in de woonkamer was overladen met koffers, tassen, luiers en speelgoed. Ik keek even om het hoekje van de woonkamer, waar ik eerder al had geconstateerd dat al het meubilair rechtstreeks uit een tweedehands winkel moet zijn gehaald. Dat, of hier woonde een stel bejaarden dat al veertig jaar niets aan het interieur had gedaan. Maar ik wist beter; de eigenaren waren jong en woonden hier zelf als ze geen boekingen hadden. Door de open voordeur tilden mijn vader en zwager de laatste spullen uit de auto het huis in. In de keuken, rechts van mij, zat Lynn in een kinderstoel. Mijn zus probeerde uit alle macht het meisje een broodje te voeren. De tranen biggelden over de kleine haar wangen. Esther had nu al een diepe frons, en we waren er nog maar net. De keuken werd geteisterd door vliegen. Boven op de koelkast stond een blauwe tl-lamp met minstens vijftig vliegenlijken eraan gekleefd. Bij het aanrecht stond mijn moeder al het bestek en de borden af te wassen. “Hulp nodig, ma?”
“Nee, hoeft niet. Help je vader maar even.” Gelukkig, naar buiten. Ik stapte over de hoge drempel, het trappetje af naar de grote tuin en de plaats voor het huis. Een aftandse, witte  tuinset stond tegen het huis aan. Wat was het warm. Ik zoog mijn longen vol hete lucht. De auto’s stonden met al hun deuren open. Er kwam nog net geen walm vanaf. Windstil. Doodstil. Ik keek naar links en zag in het midden van het ongemaaide gras een grote trampoline staan. Het veel te lange gras om het huis was zo groot als een voetbalveld. Prikkeldraad scheidde het gras van een volgend weiland met koeien. Ik liep naar de trampoline, waar mijn broertje al hoge sprongen maakte. Dit is mijn redding, dacht ik. Op deze trampoline breng ik de komende twee weken zeker een paar uur per dag door. Zonnen, springen, liggen, klieren. Ik trok mezelf omhoog aan de zijkant en ging middenin liggen. Mijn broertje was opgehouden en ging naast me liggen. “Wat vind jij van het huis?”
“Hel op aarde. Jij?” Ik keek hem met toegeknepen ogen aan. De zon brandde in mijn gezicht.
“Nou, ik vind het echt een beetje slecht. Oud en het stinkt.”
“Ik snap niet hoe we dit hebben kunnen boeken. Wat stond er op die foto’s, een paleis? Hoe kan je dit nou aantrekkelijker fotograferen dan het is?” Ik vouwde mijn handen onder mijn hoofd en tuurde met samengeknepen ogen de strakblauwe lucht in. Rutger sprak mijn gedachten uit.
“Ik denk dat we heel wat hier zullen zijn de komende twee weken.” Ik sloot mijn ogen en luisterde. Niets. Geen auto’s, geen vliegtuigen, geen vogels, geen krekels, geen wind. De weeë geur van koeien, droog gras en zinderende hitte drong mijn neus binnen. Ik pakte mijn mobiel uit mijn korte broek en keek erop. Geen bereik.