“Heb ik wat van je aan, trut?”

Ik besef met een rare glimlach op mijn gezicht dat ik keihard zit te praten op de fiets. Niemand in de buurt? Ach, veel kan het me niet schelen. De verbazing en het heuglijke feit van wat ik me net realiseer mag wat mij betreft van de daken geschreeuwd worden. “Ik weet niet eens, of ik het koud heb of niet…” zeg ik als een volslagen idioot, vlak voordat deze openbaring een glimlach tovert op mijn gezicht. Ik lach mijn tanden bloot terwijl ik harder doortrap. De wind veroorzaakt een klein rillinkje op mijn buik, gevolgd door het warme gevoel van mijn trui op mijn huid die vandaag niet kouder wordt. “Eindelijk!”

De laatste drie maanden waren voor mij een absolute hel. Dat klinkt misschien dramatisch. Dat is het ook. Een gigantische marteling waarin ik machteloos langs de zijlijn stond te kijken. En stond af te sterven. Want dat deed ik, elke dag als ik net een paar seconden buiten liep en de kou en wind mijn jas en sjaal omzeilden om genadeloos mijn huid aan te vallen. Als ik mijn vijf minuten durende wandelingetje van mijn huis naar het treinstation aflegde, liep ik zo hard dat ik dacht mijn benen te verliezen. Maar nog dook ik halverwege mijn lijdensweg mijlenver mijn sjaal in (die toch al strak tot over mijn oren en net onder mijn ogen zat gewikkeld), stak ik mijn behandschoende koude jatten zo mogelijk nog dieper in mijn jaszakken, trok mijn zwarte wollen muts nog verder over mijn oren – ja, daar zat mijn sjaal al, maar die mochten daar best samen bivakkeren, geen last van, zorgde er via die jaszakken voor dat mijn trui geen millimeter huid bloot liet boven mijn broek en op dagen dat het me nog minder kon schelen, droeg ik ook nog een legging onder mijn spijkerbroek.

Als ik dan door de straten van mijn wijk liep, kwam ik genoeg volk tegen. Zich een weg banend door de dikke laag sneeuw – of ijsbanen die eerst wegen waren, dapper op de fiets, lopend naast de fiets of half glijdend, zoals ik. Toen mijn oog viel op twee tegemoet fietsende meisjes, een jaar of veertien, viel mijn mond letterlijk open. Geklemd om hun handvaten waren hun vingers. Bloot. Hun jas niet helemaal dicht geritst en een dunne sjaal, als een sliertje bungelend om hun verder blote nek. Laag uitgesneden truitjes piepten boven hun halfopen jas uit. Maar dan het ergste. Hun jassen, van die gewatteerde felgekleurde dingen met een gigantische nepbontkraag aan hun vandaag verder nutteloze capuchon, eindigden halverwege de grootste weerstandfactor van de mens: hun ielige, dunne buiken. Hoe kon het zijn dat ik voor mijn gevoel door de kou zo ver in elkaar dook dat ik nog net geen botbreuken bij mezelf veroorzaakte, terwijl zij lachend en halfnaakt op hun fiets voorbij kwamen suizen? Ik kon er simpelweg niet bij. Terwijl een van de meisjes mij raar aan begon te kijken en arrogant naar me riep of ik wat van haar aanhad, kwam ik weer bij zinnen. Iets van haar aanhebben? Gelukkig niet en ik wist ineens het antwoord op mijn vraag.

Van mijn veertiende tot mijn achttiende hoorde ik dagelijks de vraag hoe ik toch de dag doorkwam met zo’n blote rug. Of ik het niet doorlopend ijskoud had. Ik begreep niet dat deze mensen niet doorhadden, dat dit gewoon de mode was en dat ik het niet koud had ook.

Toch maar eens bij de dokter navragen of mijn doorbloeding wel in orde is.

Een blog voor mijn minor Creatief Schrijven (2010).